Pagina's

8.4.11

Ewald Vanvugt: Roofgoed




● zo 17.4.11 ☼ 16 uur
 't Blijvertje @ 3e Oosterparkstr. 64, A'dam
Ewald Vanvugt over ROOFGOED
+ special appearance by Mel Clay

N.Y. poet, (former Living Theater) actor and playwright Mel Clay was among
among the Ruigoord squatters when living in Amsterdam and edited for Ins
& Outs a section on San Francisco where he lives since the late 70s
foto: Dick Polak
 *

EEN EUROPEES MUSEUM VAN OVERZEE GEROOFDE SCHATTEN
Ewald Vanvugts boek en virtuele museum documenteren hoe de landen van de Europese Gemeenschap wel degelijk een gezamenlijke identiteit bezitten. Allen hebben het startkapitaal voor hun welvaart met geweld vergaard uit de andere werelddelen. Zonder overzeese roof geen Europa. En Nederland heeft z'n partijtje meegeblazen. Zo werd eind 1884 het eiland Lombok op bloedige wijze veroverd, een zege met een legendarische oorlogsbuit: 230 kg goudgeld, 7200 kilo zilveren munten en meer dan duizend kostbare ringen, krissen, kannen, juwelen. In 1897 triomfantelijk uitgestald in het Rijksmuseum en sindsdien opgeslagen c.q. 'verduisterd' in de kelders en depots van de Nederlandsche Bank en diverse musea.
De kunstschatten uit het Europees Museum belichten essentiële momenten in de geschiedenis van Europa's verovering en plundering van die andere werelddelen. Ook worden de monumenten getoond voor de dieven in diverse landen - naast portretten van Europeanen die indertijd bezwaar maakten. Net als tal van andere culturen is Europa gegrondvest op diefstal en dwangarbeid, betoogt de schrijver. Alleen in Europa is een traditie gegroeid van kritiek op het eigen. Zoals ook de elite in talrijke samenlevingen zich verrijkte door slaven te houden, maar alleen Europa een anti-slavernijbeweging heeft gekend die ten slotte succesvol is geworden.
→ website


OPIUM
'Soms maakt een schrijver geschiedenis, schreef de Volkskrant in 1985 over Wettig Opium. Ewald Vanvugt had toen eigenlijk een ander boek willen publiceren, een historische reisroman over de Nederlandse verovering van Bali in 1906. De Val van Bali zou twee jaar later uitkomen. In 2006 verscheen een uitgebreide heruitgave, moést een heruitgave verschijnen, omdat zijn documentatie over de slachting van Bali door Nederlandse militairen in de officiële vaderlandse geschiedschrijving, twintig jaar na publicatie van het boek, nog steeds werd afgedaan als een collectieve zelfmoord der Balinezen. Ewald Vanvugt werd aldus andermaal een luis in de pels der beroepshistorici.
Andermaal, want hij was dat eerder met Wettig Opium. Bij zijn onderzoek naar de verovering van Bali had hij een direct verband ontdekt met de opiumhandel. Terug in Nederland stroopte hij de archieven en bibliotheken af naar dit onderwerp, maar de Nederlandse opiumverkoop in Azië bleek totaal verdwenen uit de twintigste-eeuwse vaderlandse geschiedenis.
Maar via een voetnoot in de Tweede-Kamerverslagen uit 1947 stuitte hij op een Indische opiumkroniek uit 1853 door J.C. Baud. Uit dit boek, dat de VOC in de periode 1600-1800 behandelt, bleek dat het goud van Hollands Gouden Eeuw voor een belangrijk deel afkomstig was uit de overheidshandel in opium. De verdienste van Vanvugt is dat hij niet alleen deze studie aan de vergetelheid heeft ontrukt, maar tevens de kroniek doortrok naar de zgn. periode van de pacht (1800-1894) en die der regie van 1894 tot 1942, toen de Japanse bezetting een abrupt einde maakte aan deze inkomstenbron. Vanvugt liet zien hoe opium ook in de anderhalve eeuw ná de V.O.C. voor de Staat der Nederlanden geen vloek is geweest maar een zegen. De eeuwenoude Nederlandse maagd was volgens hem een opium pusher. Aan haar voeten stond de nationale leeuw met het zwaard in de ene en de papaverbol in de andere klauw.
Schuiven moesten de Javanen en verslaafd raken aan belasting-betaling. Berekend is bijvoorbeeld dat in de periode 1876-1915 de koloniale balanstekorten opliepen tot 295 miljoen gulden, terwijl in hetzelfde tijdvak de opiumbaten 703 miljoen gulden bedroegen. Met andere woorden: zonder de opiuminkomsten zou het tekort tot bijna een miljard gulden zijn opgelopen, de kolonialen zouden wel naar huis hebben kunnen gaan. De bedragen klinken nu nog astronomisch, omgerekend naar deze tijd zouden ze niet te bevatten zijn.
Wie de opium-corruptie van de VOC wil leren kennen, het openbare debat in de 19de eeuw wil volgen, met de ambtenarij wil komma-neuken of met christenen visionair en tegelijk benepen wil zijn, wie de boekhouders wil nacijferen of de politieke poppenkast in de ethische jas wil volgen, de hilarische geschiedenis wil kennen van de Nederlandse regering als would-be opiumkok op zoek naar het recept van rookopium, en wil weten waarom de wet schuivers verplichtte de prut uit hun pijpen terug te verkopen aan de Dienst der Opiumregie, die leze dit boek.'

Opiumfabriek
 
'Ook valt te lezen hoe de overheid nog in 1930 27 miljoen gulden verdiende aan de opiumhandel, terwijl officieel het gebruik bestreden werd voor de somma van 11.000 gulden, de ethische verpakking. In feite was deze ethische jas niets anders dan een vermomming, het beleid werd bepaald door het financiële staatsbelang van de staat. In de Volkenbond, de voorloper van de VN, betoogde Nederland dat gebruik van opium bestreden moest worden, maar in een fotoboek ter gelegenheid van het regeringsjubileum van koningin Wilhelmina plaatste men vol trots een foto van de opiumfabriek in het toenmalige Batavia, waar aan duizend contractarbeiders werk werd verschaft. Maar ja, het Huis van Oranje heeft dan ook grote schatten verdiend aan het verslaafd maken van de Javanen. In heel Nederlands-Indië bestonden staatswinkels, waar wettig opium als warm brood over de toonbank ging. De Nederlandse Handels Maatschappij, die in de 19de eeuw een grote rol speelde in deze wettige opiumhandel in de Indische archipel en is later opgegaan in de Algemene Bank Nederland, dus je zou kunnen zeggen dat de ABN is voortgekomen uit de opiumwinsten. De grootste drijfveer dit boek te maken was verwondering over hoe alle Nederlandse publicisten hierover al een eeuw zwegen. Men kan de verdwijning van de opiumgeschiedenis een geslaagde propaganda-manoeuvre van de overheid noemen, maar hier is niet mee verklaard hoe de geschiedenis van het slaapgom een eeuw kon slapen.
Een eerste exemplaar werd destijds overhandigd aan drs. Jan Pronk, toenmalig adjunct secretaris-generaal van UNCTAD, dat conferenties organiseert waar voorstellen gedaan worden aan de VN over internationale handel en ontwikkeling, veelal m.b.t. de positie van arme landen. Bij deze gelegenheid merkte Pronk op dat de overheidsrol bij de handel in verdovende middelen, zoals die van Nederland in de Indische Archipel, actueel was gebleven. De VS bijvoorbeeld subsidieerden in Columbia een anti-marihuana-campagne om de productie van marihuana in eigen land te beschermen.
Pronk: "Voor een land als Columbia kun je constateren dat een zeer belangrijk deel van de cocaïne-productie mede plaats vindt via import uit omringende landen als Peru. Zo ontstaat een handelssysteem met verwerkingsprocessen voor de buitenlandse markt. We weten dat Columbia's inkomsten uit handel in verdovende middelen 20% (ruim een miljard dollar) hoger is dan de opbrengst uit de koffie-export. De opbrengst blijft voornamelijk in het buitenland en wordt voor een belangrijk deel besteed aan invoer van consumptiegoederen via dezelfde handelskanalen waarlangs de verwerkte cocaïne wordt uitgevoerd. Die consumptiegoederen vind je terug in het normale handelsnet, de groot- en kleinhandel, hetgeen betekent dat de autoriteiten daar een rol hebben gespeeld waardoor het illegale handelsnetwerk aansluit op het legale handelsnetwerk."'
referaat Franc Knipscheer


→ Toelichting


FOTOGRAFIE
Ewald Vanvugt (Den Bosch, 16.4.43) verzorgde ook een aantal exposities, zoals 'Sociale fotografie in Indonesië in de jaren 20' te Jakarta in 1994, en een jaar later 'Nestbevuilers' voor het Letterkundig Museum - over critici van het koloniale bewind in de Oost en de West', met portretten van Jacob Campo Weyerman, Willem van Haren, Dirk van Hogendorp, Multatuli plus een ongeflatteerd beeld van Jan Pieterszoon Coen. Voor de Kunsthal te Rotterdam 'De schat van Lombok. Honderd jaar Nederlandse oorlogsbuit uit Indonesië' en 'Botje bij botje - Menselijke resten uit musea' (1998).
In 1993 publiceerde hij Een propagandist van het zuiverste water. H.F.Tillema en de fotografie van tempo doeloe. Een verloren gewaand foto-archief opgediept door Vanvugt uit een museumdepot. In 2002 werkte hij mee aan een documentaire over Tillema, gemaakt i.o. van het Nederlands Filmmuseum. Vanvugts eigen foto's zijn in 2009 in bewaring genomen door het het Internationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis.
→ De wereld op foto's




DE DRIE TOPPERS 
Hoog aan de gevel van kolos De Bazel aan de Vijzelstraat, het voormalige hoofdkantoor van de Nederlandsche Handelsmaatschappij, treft men naast elkaar en versteend drie beruchte kopstukken aan uit de repressieve bewindvoering der Nederlanders in kolonies oost en west. Van links naar rechts Jan Pieterszoon Coen (1587-1629), Herman Willem Daendels (1762-1818) en de 'Pacificator van Atjeh' J.B. van Heutsz (1851-1924).




BANDA
'Op de Banda-eilanden had de VOC geprobeerd het monopolie te krijgen op verkoop van o.a. nootmuskaat. Dit lukte niet al te best. Afgedwongen afspraken werden geschonden en er waren concurrenten zoals de Britten. Jan Pieterszoon Coen besloot er wat aan te doen.
In 1621 verscheen hij voor de kust van het eiland Groot-Banda (Banda Besar), maar zijn aanval werd afgeslagen met hulp van Engelse, tegen nootmuskaat geruilde kanonnen. Een tweede aanval door Coen was wel succesvol. Vervolgens werden 800 gevangenen als slaven afgevoerd naar Batavia.
Het wachten was op een aanleiding voor verdere maatregelen. Op een nacht, zo wil het verhaal, viel in het Nederlandse kampement een olielamp om. Er ontstond paniek, want "de Bandanezen kwamen in opstand". Toen bewoners van het dichtstbijzijnde dorp na martelingen eenmaal hadden "bekend", was dit het teken voor Coen. Er volgde een bloedbad. Op alle Banda-eilanden vonden strafexpedities plaats, waarbij nauwelijks levens werden gespaard; 44 gevangenen werden na een showproces onthoofd en gevierendeeld door Japanse samoerai-huurlingen.

Een Nederlandse officier liet een verslag na: "De mensen stierven zonder ook maar een geluid te laten horen, behalve één die Nederlands sprak en zei: Heeren, heeft dan niemand van U medelijden? Alles wat gebeurde was zo afschuwelijk dat we erdoor verstomd waren. Alleen God weet wie gelijk heeft. Wij allen, als praktizerende Christenen, waren vervuld met afschuw over de manier waarop deze zaak werd afgehandeld en we hadden geen plezier in dergelijke aangelegenheden." (sic)
In 1635 werd gemeld dat vóór de komst van Coen circa 15.000 mensen op de eilanden woonden, waar er op dat moment slechts 1000 van over waren.'
Coen en de uitroeiing van de bevolking op de Banda-eilanden





'HANDEL DEN CHRISTEN NIET GEOORLOOFT'
'Van 1619 tot 1792 dreef de West-Indische Compagnie handel langs de Atlantische kusten van Amerika en Afrika. Met wisselende kansen werden suiker, zout en slaven verscheept. Slavenhandel was bij de oprichting geen oogmerk geweest, kaapvaart wel: geld en suiker veroveren op Spanje en Portugal, die onder Philips II in 1580 waren verenigd.
De torenhoge winsten der Portugese slavenhandel konden de Heren XIX echter moeilijk ontgaan. Er kwam een commissie, er volgde rijp beraad. Gelijk kregen zij die zich op bijbelse grond verzetten tegen deze handel en haken en ogen voorzagen.
"Wat den handel in Angola aengaet, te weten van de swarten, is alsnoch bedencke­lijck dewijle men geen plaetse noch gelegentheijt heeft om deselve in Brasil of elders te gebruycken, behalven dattet schijnt dat die handel den Christen niet geoorlooft en is, welcke aengaende eenige naerdere onderrichtinge soude dienen gedaen."
Na 1635 trad een kentering in. Koloniale expansie bracht Nederland ertoe actief een eigen, geregelde slavenhandel op te zetten. Slavenschepen kapen van de Portugezen volstond niet langer en alternatieven ontbraken. Gods­dienstige bezwaren leken plotseling niet meer te bestaan. Evenals Portugal en Spanje stelde men zich nu op het standpunt dat heidense slaven dank zij hun omgang met christenen bevóórrecht werden door ken­nis te nemen van het enig ware geloof.
Chirurgijnen keurden de aanvoer door de zwarten in mond en anus te kijken. Willem Bosman, vijftien jaar als slavenhandelaar werkzaam aan de Goudkust, schreef in zijn memoires hoe aangevoerde slaven "op het allernauwkeurigste werden besigtigt en betast, tot het alderminste lid dat zy aen hun lighaem hebben, en dat Moedernaekt, so wel Vrouwen als Mannen, sonder eenig onderscheid of schyn van de minste schaemte."
De besten werden bijeengedreven en kregen een brandstempel met het monogram van de WIC op de borst gedrukt. Volgens Bosman kon dat "wat wreed en half Barbarisch" lijken "doch echter dragen wy so veel mogelyke sorg, datse niet te hard werden gebrand, voornamentlyk de Vrouwlieden, die toch altoos wat teerder vallen."
De tweede keus, in handelstermen makrons genoemd, vormden ouderen dan vijfendertig jaar "of die aen armen, beenen, handen of voeten zyn verminkt; ook die een tand quyt zyn; die gryse haeren, of vliegen op de oogenhebben; alle die met Venus siekte zyn besmet, en veelerhande qualen meer."
Ondanks alle tegenslagen en ontberingen, een rampzalig klimaat en tropische ziekten waartegen geen medicijn bestand was, wisten Nederlanders zich bijna 300 jaar te handhaven aan de Goudkust (de Ghanese kustlijn tussen Axim en de Volta-rivier). Elmina, naar de Spaanse benaming Sao Jorge da Mina, fungeerde op 5°2' noorderbreedte en 1°12' westerlengte als hoofdzetel der administratie.'
→ Elmina





DE KONING VAN BRAZILIE
'De landheer Johan Maurits van vorstendom in wording Nassau-Siegen (1604-1679), was kort na vestiging in Den Haag begonnen met de bouw van het Mauritshuis en in geldnood geraakt, toen de Heren XIX van de W.I.C. langskwamen. Zij waren op zoek naar een bekwame c.q. zuinige Gouverneur. Maurits meende dat de heren een vorst voor een nieuw Overzees Rijk zochten.
In 1637 werd de landheer naar Brazilië uitgezonden, waar de Republiek enkele zogeheten steunpunten bezat, grondbezit dat de eerstvolgende jaren gestaag groeide. Weldra heersten Nederlanders ook over aangrenzende delen van de Atlantische Oceaan en Recife groeide uit tot het Batavia van de W.I.C. Bij de bevolking was Johan Maurits omstreeks 1640 dusdanig populair bij dat men hem tot koning van Brazilië uitriep.
Koning of niet, 4 jaar later werd "de Braziliaan" teruggeroepen: de W.I.C. vond 't welletjes en onthief hem uit zijn functie.'


Brandmerk: M (Maurits)
*
DE MAN VAN GLAS, VAN BOTER DAN WEL STROO
De taak om Johan Maurits´ wedervaren van staatswege te boekstaven was het werk van Barlaeus.
Geboren te Antwerpen in 1584 was Caspar van Baarle, of Van Baerle, uitgegroeid tot een vooraanstaand poëet, orator en prozaschrijver, bevriend met o.m. Vossius en Hooft.
Bij zijn dood in januari 1648 dichtte Vondel het grafschrift
Hier sluimert BAARLE neffens HOOFT,
Geen Zerk hun glans noch vriendschap dooft.
Het jaar ervoor, in 1647, was juist verschenen zijn 'Rerum in Brasilia et alibi gestarum
over de Krygsbedryven van Prinse Joan Maurits van Nassau in Brazil.'
Barlaeus' levensbeschrijving wil dat hij zonder zich te voegen bij de remonstrantse broederschap, in vurig Latijn de arminiaanse theologie had verdedigd, waarna hij in 1619 werd ontslagen als subregent én als hoogleraar in de logica.
Vervolgens begon en volvoerde hij een uitgebreide studie medicijnen in Caen, zonder hiertoe overigens uit Leiden te zijn weggegaan.
Jaren verdiende hij de kost met het geven van bijles, alvorens in 1632 te worden beroepen tot Hoogleeraar in Wysbegeerte en Welspreekendheid aan de Doorlugtige Schoole (Illustere School) te Amsterdam.
Het gaat dan niet best met hem. In een brief aan een neef 'spreekt hy zeer sterk van zyne onbekwaamheid om zynen post naar behooren waar te neemen.
Hy getuigt dat zyne gezondheid minder was uit hoofde van zyne droefgeestige verbeeldingen, en van het gebruik der geneesmiddelen; dat zyn slaap zwaar en afgebroken en de huishouding des ligchaams geheellyk ontsteld was.
Wyders draagt deeze brief veele andere blyken van de doorslaande zwaarmoedigheid, waartoe de schryver vervallen was.'
Simon Stijl windt er meer dan een eeuw later geen doekjes om: 'Door het vlytig waarnemen van zyne bedieninge, door het uitgeven van eenige voortreflyke Latynsche gedigten, welke hy van tyd tot tyd aan het gemeen mededeelde, en door het schryven van andere deftige werken, vond hy zynen lof tot eene aanmerkelyke hoogte gestegen, toen hy door eene zwaare ziekte werd aangetast, die hem den geest geweldiglyk benaauwde, en hem nu en dan slegts eenige korte tusschenpozingen van bedaardheid en helderheid van verstand vergunde.
Uit dezen naren toestand is Barlaeus egter toen weder gered geworden.'
In 1625 door Constantijn Huygens met Hooft in aanraking gebracht, was hij op het Muiderslot een welkome gast wegens zijn geleerdheid, zijn geestigheid en zijn dichterschap. Als dichter in Latijn was de archipoeta vermaard tot ver over de landsgrenzen. Zijn levenslust, gedurfde scherts en verheerlijking van het leven in de klassieke oudheid maakten hem wat men noemde een `poeta semipaganus'.
Barlaeus hertrouwde na de dood van zijn vrouw in 1635 niet, doch werd de vereerder van Tesselschade of, in de woorden van Hooft, een 'vryer om den deun, oft om welstaens wil.'
In 1646 keert zijn oude kwaal terug om hem begin 1648 uit het leven weg te rukken 'nadat hy daagst te voren nog les aan zyne Studenten gegeeven had. De algemeene berigten zeggen dat hy zich inbeeldde van glas te zyn, en vreesde aan stukken gestoten te zullen worden. Somtyds meenende dat hy van boter of stroo was, dorst hy niet digt by het vuur komen, uit vreze van te zullen verbranden. Eenigen verzekeren dat hy in eenen put gevallen of gesprongen, en in denzelven gesmoord is.'
Jan Wagenaar, tijdgenoot van Stijl en Historieaschrijver der stad, stelde vast: 'Barlaeus heeft zig, inzonderheid door zyne Latynsche Verzen en Redevoeringen, beroemd gemaakt. Ook zyn er brieven van hem in ’t licht, die by de kenners geagt worden. Weinige maanden voor zynen dood, heeft hy een verhaal van de Krygsbedryven van Prinse Joan Maurits van Nassau in Brazil in ’t licht gegeven.
Alle deeze werken hebben hem agting verworven, by de geleerde weereld
.'

*

BATIG SLOT
'Aan de slavenhandel kwam in 1807 een eind. Slavernij werd binnen de Engelse koloniën rond 1833 afgeschaft, Frankrijk volgde in het revolutiejaar 1848. Beide landen beschikten over koloniën grenzend aan Suriname, waar grote onrust ontstond onder de planters en slaven van wie er velen nu konden vluchten. Nederland ging pas in 1863 tot afschaffing over en ethische overwegingen speelden daarbij nauwelijks een rol. Doorslag gaf de financiële compensatie, het Batig Slot uit Nederlands-Indië.'


'Een roofstaat aan de Noordzee...
dat spoorwegen bouwt van gestolen geld en tot
betaling de bestolene bedwelmt met opium,
Evangelie en jenever...
Aan U durf ik met vertrouwen te vragen of het
Uw wil is dat daarginds Uw meer dan dertig
millioenen onderdanen worden mishandeld en
uitgezogen in UWEN naam?'
Multatuli tot Nederland en Willem III (1860)

*

Wereldtentoonstelling, Amsterdam 1885
*

(Het Parool)